Ondernemingsstrafrecht

Category Archives

Het faillissement: wanneer is er sprake van een faillissementsmisdrijf?

Blogbericht delen

COVID-19 heeft niet enkel invloed op de fysieke gezondheid maar kan ook de financiële gezondheid van ondernemingen in het gedrang brengen. De overheid werkte reeds verschillende steunmaatregelen uit voor ondernemingen. Toch is het onvermijdbaar dat bepaalde ondernemingen en zelfstandigen het hoofd niet meer boven water gaan kunnen houden. Komen zij op structurele wijze hun financiële verplichtingen niet meer na? Dan dreigt het faillissement. Het is belangrijk dat de onderneming dan de juiste stappen zet opdat zij niet in het strafrecht verzeild geraakt.

De faillissementsmisdrijven zijn terug te vinden in artikelen 489 tot 490quater van het strafwetboek onder de afdeling “Misdrijven die verband houden met insolventie”. De onderneming heeft bepaalde verplichtingen zoals het meewerken met de curator, de aangifteplicht en het bijhouden van de boekhouding. Wij zetten de belangrijkste faillissementsmisdrijven en verplichtingen hieronder voor u op een rijtje:

Het faillissement

Wanneer een onderneming failliet gaat, wordt een curator aangesteld door de ondernemingsrechtbank. De curator doet dan onderzoek naar de toestand van de onderneming. Indien de curator onregelmatigheden vaststelt, maakt hij hiervan verslag op en stuurt dit door naar het parket. Deze fouten hoeven niet grootschalig te zijn; het kan ook gaan om kleinere vormen van fraude.

Er zijn drie voorwaarden die gemeenschappelijk zijn aan alle faillissementsmisdrijven. De eerste voorwaarde is voor de hand liggend; een faillissementsmisdrijf kan slechts gepleegd worden indien er sprake is van een faillissement. De ondernemingsrechtsbank spreekt het faillissement uit wanneer er staking van betaling is. Het Hof van Cassatie stelde dat de strafrechter hierdoor gebonden is, op voorwaarde dat de beklaagde betrokken was bij de procedure voor de ondernemingsrechtbank.

Ten tweede zijn faillissementsmisdrijven hoedanigheidsmisdrijven. Dit betekent dat zij enkel gepleegd kunnen worden door handelaars.

Tot slot dient het misdrijf gepleegd te worden nadat de voorwaarden voor faillissement aanwezig waren. In tegenstelling tot het uitspreken van de faillissementstoestand door de ondernemingsrechtbank, speelt hier de autonomie van het strafrecht wél voor 100%. De strafrechter gaat met andere woorden op zoek naar het tijdstip waarop een virtuele faillissementstoestand bestond. Of de faillissementstoestand al dan niet werd uitgesproken door de ondernemingsrechtbank is hierbij irrelevant.

Artikel 489 van het Strafwetboek: de medewerkingsplicht ten aanzien van de curator en rechter-commissaris

De misdrijven in artikel 489 worden vaak bestempeld als de “lichtste” categorie van misdrijven gezien de straffen lager liggen dan die van artikel 489bis en 489ter van het Strafwetboek. Toch zijn ook de straffen van artikel 489 geen lachertje: een maximumgevangenisstraf van 1 jaar is mogelijk en boetes kunnen oplopen tot wel 100.000 (x8) euro.

Wanneer u failliet verklaard wordt, moet u gevolg geven aan alle oproepingen van de curator en rechter-commissaris. Daarnaast dient u alle vereiste inlichtingen te verstrekken. Zo moet u bijvoorbeeld de curator tijdig inlichten indien een adreswijziging plaatsvindt of informatie verschaffen over de werkelijke bestuurders van de vennootschap. Daarnaast bestraft artikel 489 eveneens het aangaan van verbintenissen waarvoor onvoldoende tegenprestaties voorhanden zijn gelet op de financiële toestand van de onderneming. Voor deze misdrijven is geen bedrieglijk opzet nodig, loutere nalatigheid is reeds voldoende.

Artikel 489bis van het Strafwetboek: de aangifteplicht

Om te vermijden dat de schulden van een onderneming dermate aangroeien, dient tijdig aangifte gedaan te worden van het faillissement. Deze verplichting geldt voor zowel wettelijke als feitelijke bestuurders. De aangifte dient te gebeuren binnen een maand na staking van betaling. Wanneer er sprake is van staking van betaling, beslist de strafrechter op basis van concrete elementen in het dossier. Een vereiste is echter wel dat de onderneming wist dat haar situatie niet meer te redden viel. Als de onderneming er redelijkerwijze kon van uitgaan dat haar situatie zou verbeteren, bijvoorbeeld doordat zij van haar schuldeisers een afbetalingsplan kreeg, kan haar geen laattijdige aangifte verweten worden. Voor dit misdrijf is een kwaadwillig opzet nodig. Het louter te goeder trouw verkeerdelijk inschatten van de overlevingskansen kan niet leiden tot bestraffing.

Gezien de huidige Corona-crisis, wordt de aangifteplicht voorlopig opgeschort tot 31 januari 2021. De voorwaarde is echter wel dat de voorwaarden voor faillissement slechts vervuld zijn als gevolg van de Corona-crisis. De duur van de opschorting kan nog verlengd worden na 31 januari 2021 bij Koninklijk Besluit.

Artikel 489ter van het Strafwetboek: het bijhouden van de boekhouding

Om een controle toe te laten, is het natuurlijk belangrijk dat er toegang is tot de boekhouding. De onderneming dient deze dan ook te kunnen voorleggen. Indien de onderneming zich schuldig maakt aan het wegmaken van haar boekhouding – weliswaar na datum van staking van betaling – en zij dit doet met het oogmerk om te schaden, kan zij bestraft worden met een gevangenisstraf van 1 tot 5 jaar en een geldboete van 100 tot 500.000 (x8). Het is dus in het belang van de onderneming om een volledige boekhouding voor te leggen. Daarnaast bestraft dit artikel ook het verduisteren of verbergen van een gedeelte van het activa.

Dreigt u failliet te gaan en wenst u meer informatie over uw verplichtingen of wordt u geconfronteerd met een handelspartner die een faillissementsmisdrijf pleegt waarvan u slachtoffer bent, neem dan contact met ons op.


De onderneming voor de strafrechter

Blogbericht delen

Kan een onderneming strafrechtelijk worden vervolgd? Jazeker. Rechtspersonen hebben nu eenmaal een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid dient steeds te worden onderscheiden van deze van de natuurlijke personen (denk aan bedrijfsleiders) die voor de onderneming hebben gehandeld of dit hebben nagelaten.

Welke ondernemingen zijn vatbaar voor vervolging?

In principe kan elke rechtspersoon door een strafrechtbank aansprakelijk worden geacht. Dit is nog niet lang het geval. Tot voor de wetswijziging van 2018, werden publiekrechtelijke entiteiten zoals de Belgische Staat, de gewesten, de steden,… niet beschouwd als rechtspersonen (net als feitelijke verenigingen zoals vakbonden en politieke partijen). Nu behoren deze publiekrechtelijke entiteiten wél tot de club van de rechtspersonen met strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

De uitbreiding van de wetgever vereist weliswaar enige nuancering, aangezien de tussenkomst van de strafrechter ten aanzien van deze publiekrechtelijke instanties beperkt blijft. Enkel het uitspreken van een “eenvoudige schuldigverklaring” is mogelijk. Geen zware sancties dus voor de stad of de gemeente.

Voor welke misdrijven kan een onderneming worden gestraft?

Een rechtspersoon is enkel strafrechtelijk aansprakelijk voor het plegen van twee “soorten” misdrijven. De eerste categorie betreft de misdrijven die een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen. Denk hierbij aan een onderneming die haar cliënteel advies geeft over interessante beleggingen, en vervolgens aandelen verkoopt op basis van een valse overeenkomst. De tweede categorie van misdrijven betreft degene die, zoals zal blijken uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. Hierbij kan worden gedacht aan vervalsing van de jaarrekening.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon zal vaststaan van zodra de verwezenlijking van het misdrijf hetzij volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de rechtspersoon, hetzij het gevolg is van een binnen deze rechtspersoon gepleegde nalatigheid.

Kan naast de onderneming ook de bedrijfsleider worden gestraft?

Het is niet ondenkbaar dat zowel de onderneming als de bedrijfsleiders op de beklaagdenbank terecht komen.

Tot voor 2018 was het zo dat een onderneming en de natuurlijke persoon enkel samen veroordeeld konden worden, wanneer het misdrijf opzettelijk werd gepleegd. Anders was dat voor niet opzettelijke misdrijven. In dat geval kon enkel de onderneming dan wel de natuurlijke persoon worden veroordeeld, afhankelijk van wie de zwaarste fout pleegde (decumulregeling).

Sinds 2018 is de decumulregeling afgeschaft. Sedertdien kunnen rechtspersonen en natuurlijke personen samen worden veroordeeld voor zowel opzettelijke als onopzettelijke misdrijven.

Besluit

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen valt niet meer weg te denken uit ons rechtssysteem. Ondernemers en ondernemingen worden dan ook meer en meer geconfronteerd met hun strafrechtelijke aansprakelijkheid. Ook in de wetgeving stellen we dit vast: er zijn amper nog economische, sociale, fiscale en milieuwetten die niet meer voorzien in strafbepalingen.

Ondernemingen moeten zich bewust zijn van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid die rust op zowel de onderneming als op de bedrijfsleiding.

Komt deze bewustwording te laat, dan loert een strafrechtelijke veroordeling om de hoek.

Zowel bij het voorkomen van strafrechtelijke verantwoordelijkheid als bij de strafrechtelijke procedures en alle stappen tussenin, kunnen wij u en uw onderneming bijstaan.

Contacteer ons gerust met uw bijkomende vragen.


I plead guilty. Een blik op de procedure van voorafgaande erkenning van schuld

Blogbericht delen

Niet elk misdrijf dient te leiden tot een lange procedureslag, ook de wetgever was deze mening toegedaan. Samen met de potpourri II-wet werd de procedure van voorafgaande erkenning van schuld geboren: een buitengerechtelijke procedure waarbij de verdachte met het Openbaar ministerie kan onderhandelen over de uiteindelijke strafmaat, weliswaar nadat de verdachte zijn of haar schuld heeft erkend. Het sleutelbegrip inzake is aldus de schuldbekentenis.

De wettelijke voorwaarden

Om aanspraak te maken op deze versnelde afhandeling van het strafdossier, moet er worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Eerst en vooral beperkt de wet de scope van de procedure tot feiten die niet van die aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf. Het gaat hier om de straf in abstracto, niet in concreto, wat wil zeggen dat de straf die in aanmerking wordt genomen deze is die het Openbaar ministerie denkt te moeten vorderen, niet de werkelijke maximale gevangenisstraf. Is dat het geval, dan kan het Openbaar ministerie opteren om een lagere straf voor te stellen dan deze die hij meende te moeten vorderen (ook straffen met uitstel, probatie-uitstel, opschorting en probatie-opschorting blijven uiteraard mogelijk).

De wet voorziet vervolgens in enkele uitsluitingen. Zo is de procedure van voorafgaande erkenning van schuld niet van toepassing bij de volgende feiten:

  • Feiten die strafbaar zouden zijn met een maximum straf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
  • Verkrachting, aanranding van de eerbaarheid met de dood tot het gevolg en foltering door bloedverwant of gezaghebbende persoon ( cf. art. 375 tot 377 Strafwetboek);
  • Bederf van jeugd en prostitutie (cf. art. 379 tot 387 Strafwetboek);
  • Doodslag (cf. art. 393 tot 397 Strafwetboek)

Tot slot de meest vanzelfsprekende voorwaarde: de schuld moet worden erkend. Belangrijk is dat ook een rechtspersoon geacht wordt zijn schuld te kunnen erkennen. Rechtspersonen ten aanzien van wie het parket een straf zou vorderen cf. artikel 41bis S.W. vallen met andere woorden onder het toepassingsgebied van deze procedure.

Het verdere verloop van de procedure

Het initiatief ligt uitsluitend bij het Openbaar ministerie, enkel zij kan beslissen of er toepassing wordt gemaakt van de procedure van voorafgaande erkenning van schuld. Dit weerhoudt de verdachte of zijn advocaat er natuurlijk niet van om zelf de toepassing voor te stellen.

Na de schuldbekentenis – waarbij de verdachte verplicht wordt bijgestaan door een advocaat – zal het Openbaar ministerie een concreet voorstel doen. Het Openbaar ministerie kan, maar moet geen strafvermindering aanreiken. Het voorstel kan onmiddellijk worden aanvaard, doch de wet voorziet dat er ook bedenktijd (max. 10 dagen) kan worden gevraagd. De verdachte kan ook steeds een tegenvoorstel doen.

Werd er een akkoord bereikt, dan wordt dit opgenomen in een overeenkomst. Deze overeenkomst bevat zowel de feiten als de door de verdachte aanvaarde straffen. Werd er geen akkoord bereikt, dan kan het Openbaar ministerie besluiten om de zaak alsnog voor de feitenrechter te brengen.

Na het sluiten van de overeenkomst, wordt de overeenkomst gecontroleerd door de rechtbank. De rechtbank zal o.a. nakijken of er voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, of de overeenkomst overeenstemt met de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie. Ook de proportionaliteit van de voorgestelde straffen zal worden beoordeeld. De rechtbank heeft dus twee mogelijkheden: de afgesloten overeenkomst bekrachtigen of niet. Wijzigingen aanbrengen kan de rechtbank niet. Bij bekrachtiging zal de rechtbank de straf uitspreken die in de afgesloten overeenkomst is voorgesteld. Zoniet wijst ze het verzoek tot bekrachtiging van de afgesloten overeenkomst bij gemotiveerde beslissing af.

Wat met eventuele slachtoffers?

Het slachtoffer is geen partij bij de procedure van voorafgaande erkenning van schuld. De al dan niet voorafgaande vergoeding van schade is dus geen voorwaarde in het kader van deze procedure.

Wel zullen de burgerlijke partijen een kopie ontvangen van de bereikte overeenkomst. Later zullen zij ook worden opgeroepen op de zitting strekkende tot homologatie van de overeenkomst, zodat zij op deze zitting de vergoeding van hun schade kunnen vragen. De schadevergoeding wordt beoordeeld in het kader van de procedure voor de rechtbank.

Bijstand

Bijstand van een advocaat is in een procedure van voorafgaande erkenning van schuld niet alleen onontbeerlijk, doch ook verplicht. Het vereenvoudigd en snel afhandelen van strafzaken is één ding, maar er moet natuurlijk steeds op worden toegezien dat een verdachte niet onder onredelijke dwang afstand doet van zijn recht op toegang tot een rechter.

Heeft u vragen over de procedure van voorafgaande erkenning van schuld, of wenst u te worden bijgestaan, contacteer ons gerust.

 


Wat is witwassen en wat zijn de gevaren?

Blogbericht delen

Witwassen: de silent killer van het ondernemingsstrafrecht

Wat is witwassen?

Stel: je wordt zonder reden aan de deur gezet door je bankinstelling.  Veel kans dat dit een gevolg is van de zogenaamde preventieve witwaswetgeving (wet van 18 september 2017).  Op basis hiervan zijn banken niet alleen verplicht om hun bankklanten te identificeren (Know Your Customer of KYC), maar ook om – telkens wanneer ze weten of vermoeden dat een klant geld bezit of verrichtingen doet die verband houden met witwassen – hiervan melding te doen bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) ook wel de Witwascel genoemd.  Eens de compliance-afdeling van je bank beslist om een einde te stellen aan de bancaire relatie, is het veelal te laat (cf. DS 25 september 2020).

En wanneer, al dan niet na onderzoek door de CFI, het parket een strafdossier opent, is het ook vaak de vervolging voor ‘witwassen’ die het meeste angst inboezemt in fraudedossiers.

Maar wat is witwassen nu precies?

Alhoewel de strafbaarstelling vanuit technisch oogpunt zeer ingewikkeld voorkomt, is het fenomeen op zich niet zo moeilijk uit te leggen.  In feite komt het erop neer dat ‘witwassen’ een zogenaamd “vervolgmisdrijf” is.  Of anders gezegd: er kan slechts sprake zijn van witwassen, wanneer er voorheen een ander misdrijf (diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, corruptie, valsheid in geschriften, …) werd gepleegd waarmee een vermogensvoordeel werd bekomen.  De manipulatie van dit per definitie illegaal verkregen vermogensvoordeel, is dan wat afzonderlijk strafbaar wordt gesteld als ‘witwassen’.

Vanuit technisch oogpunt kent ons Belgisch strafrecht niet 1 maar wel 3 witwasmisdrijven, die omschreven worden in artikel 505, eerste lid, 2° – 4° Strafwetboek.  In feite komt het erop neer dat zowat elke handeling die met een illegaal verkregen vermogensvoordeel wordt gesteld strafbaar wordt gesteld, wanneer deze met het vereiste strafbaar opzet werd gepleegd.  Concreet worden zo strafbaar gesteld: het kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren van illegale vermogensvoordelen (= eerste witwasmisdrijf); het omzetten of overdragen ervan (=tweede witwasmisdrijf) en het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom ervan (=derde witwasmisdrijf).

Opdat voornoemde handelingen strafbaar zouden zijn, dienen ze met een strafbaar opzet te zijn gepleegd.  Concreet wil dit zeggen dat, voor het eerste en derde witwasmisdrijf, dient aangetoond te zijn dat de dader op het ogenblik dat hij de handeling stelde de illegale oorsprong kende of moest kennen.  Voor het tweede witwasmisdrijf dient te worden aangetoond dat de dader de bedoeling had om de illegale herkomst te verbergen of een persoon te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden.

De brede omschrijving en vooral de combinatie van de 3 witwasmisdrijven samen, maakt dat in quasi elk fraudedossier waar nadien handelingen worden gesteld met ‘de buit’, er ruimte is om niet enkel voor het basismisdrijf (bv. oplichting) te vervolgen, maar ook op basis van witwassen.

Het gevaar van het witwasmisdrijf

De laatste jaren zien we steeds meer aandacht voor witwassen bij het parket.  En dat heeft daar goede redenen voor.

Witwassen is een autonoom misdrijf. Dit autonome karakter heeft een aantal belangrijke gevolgen.  Het is ten eerste niet noodzakelijk dat de beklaagde die wordt verdacht van witwassen zichzelf als dader schuldig maakte aan het misdrijf waaruit de illegale geldsommen voortkwamen. Bovendien moet voor het bewijs van het misdrijf van witwassen dit basismisdrijf niet worden bewezen. In de regel moet het basismisdrijf dus niet worden gepreciseerd voor een veroordeling. Hierdoor moeten de beklaagde en zijn advocaat de legale oorsprong van de gelden ‘geloofwaardig maken’.  Slagen zij daar niet in en is de strafrechter daardoor de mening toegedaan dat hij elke legale herkomst kan uitsluiten, dan kan hij veroordelen voor witwassen.  In zekere zin wordt de bewijslast dus omgekeerd, wat het parket in een comfortabele positie plaatst.

Daarnaast is witwassen een zogenaamd voortdurend misdrijf.  Dit betekent dat de verjaring inzake witwassen pas begint te lopen van zodra de van witwassen verdachte handelingen zijn rechtgezet.  Op basis hiervan wordt vaak – terecht – gesteld dat witwasmisdrijven quasi onverjaarbaar zijn: zolang de herkomst van illegale vermogensvoordelen wordt verborgen, duurt het misdrijf voort en begint de verjaring niet eens te lopen.

Tenslotte bepaalt de wet tevens dat inzake witwassen het illegaal verkregen vermogensvoordeel verplicht moet worden verbeurd verklaard.  Dit betekent dat de dader van witwassen, naast een gevangenisstraf of geldboete, tevens riskeert om bovendien het volledige vermogensvoordeel te zien toewijzen aan de Belgische Staat.

Conclusie

De samenloop van dit alles – verregaande preventie met meldingsverplichtingen aan de CFI; doormelding aan parket; quasi onverjaarbaarheid en strenge santioneringsmogelijkheden – maakt van witwassen een steeds populairder misdrijf.  Vooral in het fiscaal strafrecht, waar het illegaal vermogensvoordeel de ontdoken belasting vormt, zijn het de contouren van art. 505 Sw. waarover het meest gepleit wordt, zowel voor de rechtbank als bij het negociëren van een minnelijke schikking of de aangifte van een fiscale regularisatie.

Ons team heeft een ruime ervaring, zowel inzake preventieve witwaswetgeving (meldingsplicht, …) als inzake strafrechtelijke verdediging inzake witwassen.  Daarnaast kunnen wij u tevens assisteren met het vinden van een minnelijke regeling met fiscus en/of parket.  Contacteer ons vrijblijvend.


Wat is oplichting?

Blogbericht delen

Wat is oplichting?

Oplichting is een misdrijf van alle tijden. Oplichtingszaken laten bovendien vaak een grote indruk na op de slachtoffers. Daarom is het als slachtoffer verstandig om bij een advocaat te horen wat uw rechten zijn en hoe u uw geld kunt terug krijgen.

De oplichter past zich voortdurend aan om zijn slachtoffer in de val te lokken. De methode die de oplichter gebruikt verandert, gelukkig blijven de voorwaarden voor het misdrijf wel steeds dezelfde. Hieronder worden de voorwaarden voor oplichting uit artikel 496 sw.  kort besproken.

Oogmerk om andermans zaak onrechtmatig toe te eigenen

Bij oplichting heeft de dader hetzelfde doel als bij diefstal; zichzelf andermans zaak onrechtmatig toe eigenen. De manier waarop dit gebeurt verschilt echter. Bij diefstal wordt de zaak tegen de wil van de eigenaar bij hem weggenomen. Bij oplichting daarentegen wordt de eigenaar overtuigd om zelf de zaak af te geven.

Bedrieglijke middelen

De wet somt in art. 496 Strafwetboek een hele resem van “bedrieglijke middelen” op.  Het gebruikmaken van een valse naam of hoedanigheid houdt in dat een persoon – al dan niet openbaar – een valse voornaam, familienaam, adellijke titel, schuilnaam of homoniem gebruikt. Daarnaast is ook het aanwenden van “listige kunstgrepen” een mogelijk bedrieglijk middel. Listige kunstgrepen moeten altijd bestaan uit een combinatie van leugens en handelingen die bedoeld zijn om deze leugens geloofwaardig te maken.

Afgifte of levering van de zaak

Door afgifte of levering van de zaak wordt de oplichting voltrokken. Het is echter geen vereiste dat deze afgifte de zaak zelf betreft. Ook de titel waarmee de oplichter zich de zaak zal kunnen doen overhandigen volstaat. Hier kan ook het onderscheid met misbruik van vertrouwen aangeduid worden. Waar er bij oplichting een afgifte of levering van een zaak moet zijn, is deze zaak bij misbruik van vertrouwen al toevertrouwd aan de dader maar wordt ze niet teruggegeven.

Indien de goederen die door oplichting werden verkregen later worden teruggegeven wordt de oplichting niet teniet gedaan. De rechter brengt dit wel in rekening voor de straftoemeting.

Conclusie

Oplichting kent vele gezichten.  De meest klassieke manier is deze waarop de oplichter zijn slachtoffer met bedrieglijke argumenten face-to-face overtuigt om iets af te geven.  Oplichting kent ook veel ingewikkeldere varianten, zoals bijvoorbeeld boiler room fraud waarbij heuse callcentra worden ingezet om nietsvermoedende slachtoffers te overtuigen om geld te investeren in mooi uitziende investeringsopportuniteiten.

Ons kantoor heeft een ruime ervaring opgebouwd in de bijstand van slachtoffers van oplichting.  Ook enkele banken doen op ons beroep op vlak van zowel preventie als bestrijding van fraude en oplichting.  Daarnaast beschikken wij ook over de nodige strafrechtelijke expertise om  zowel slachtoffers als daders voor de strafrechter bij te staan.


Camera tegen diefstal in mijn bedrijf

Blogbericht delen

Preventief: camerabewaking

Ter preventie van diefstal door de werknemer, kan u als werkgever camerabewaking installeren. Op basis van cao nr. 68 mogen camera’s alleen geplaatst worden om een van volgende doeleinden na te streven: de veiligheid en gezondheid, de bescherming van de goederen van de onderneming, de controle van het productieproces, of de controle van de arbeid. De camerabewaking dient verder proportioneel te zijn. De werkgever mag de camerabewaking dus niet aanwenden op een manier die onverenigbaar is met het uitdrukkelijk omschreven doel.


Introductie tot de Belgische regeling inzake spijtoptanten

Blogbericht delen

De spijtoptant werd in België alom bekend via de ‘Operatie Propere Handen’ die in oktober 2018 een bom legde onder het Belgisch voetbal. Tal van clubs, spelers en makelaars werden ervan verdacht betrokken te zijn bij witwasmisdrijven en private omkoping. Eén van de spilfiguren in het onderzoek, een bekende voetbalmakelaar, was bereid om in ruil voor strafvermindering verklaringen af te leggen die het onderzoek in een stroomversnelling zouden brengen. Hij wenste m.a.w. gebruik te maken van de spijtoptantenregeling, een relatief nieuwe figuur in het Belgisch strafprocesrecht.

Gelet op de recente inwerkingtreding van deze regelgeving is een woordje uitleg op zijn plaats.

Hieronder worden de essentialia van de spijtoptantenregeling dan ook kort toegelicht.


Scroll Up