november 2020

Monthly Archives

Regeerakkoord schudt nog eens aan fiscale regularisatie-boom

Wat zegt het regeerakkoord over fiscale fraudebestrijding?

Bij het schrijven van het regeerakkoord van de regering De Croo I werd overeengekomen dat de strijd tegen fraude opnieuw veel geld zal moeten opbrengen.  Op zich niets nieuws onder de zon.  Elke nieuwe regering doet dit.  Maar gaat de regering haar prognoses ook kunnen hardmaken, en zoja, hoe?

Net als de vorige regeringen van het afgelopen decennium legt de regering De Croo I haar schaapjes te week bij de opbrengsten van de fiscale regularisatie.  De stille droom van elke minister van Financiën is om de recordopbrengt van 2013, toen er op 1 jaar tijd 5 miljard euro werd opgehaald via het Contactpunt voor Regularisaties (CPR), te evenaren.  Maar stonden de internationale parameters toen niet veel gunstiger?  En is er wel nog zoveel zwart geld dat moet worden geregulariseerd?

Op het eerste gezicht lijkt de ambitie van de nieuwe regering dan ook wat te hoog.  Maar is dat wel zo?

Wie het regeerakkoord grondig leest, stelt vast dat de regering niet zomaar opnieuw inzet op de fiscale regularisatie, maar merkt dat er wel degelijk een doordacht plan achter steekt.  Alle parameters wijzen er immers op dat de regering, nadat ze – via de fiscale regularisatieprocedure van het CPR – massaal heeft ingezet op de repatriëring van in het buitenland buiten het zicht van de fiscus aangehouden vermogen, nu de strijd heeft ingezet op het zwart geld in België zelf.

Het is een publiek geheim dat het al lang een doorn in het oog van de fiscus is dat het succes van de fiscale regularisatie hoofdzakelijk beperkt is tot buitenlands vermogen.  Dit vermogen is immers de laatste jaren zeer transparant geworden, onder meer door de Common Reporting Standards die landen internationaal verplichten om jaarlijks en automatisch gegevens uit te wisselen over niet-onderdanen die bij hen vermogen aanhouden.  Op deze wijze ontvangt de fiscus sedert enkele jaren zeer kostbare informatie over alle Belgen die in pakweg Luxemburg of Zwitserland rekeningen aanhouden.  Het is deze transparantie die tal van Belgen ertoe heeft aangezet om hun buitenlands vermogen te regulariseren.  Immers: wie niets ondernam, werd een ‘sitting duck’.

Dit is tot op vandaag niet zo voor Belgen die hun zwart geld steeds in België hebben aangehouden, en ook niet voor Belgen die er onder de oude wet in zijn geslaagd om enkel hun opbrengsten van de fiscaal niet verjaarde jaren in te klaren, en het kapitaal zelf zonder betaling van een boete of belastingverhoging naar België hebben gerepatrieerd.

Welnu, het zijn deze Belgen die zenuwachtig mogen beginnen worden, want ook hun vermogen dreigt transparanter te worden.

Zo voorziet het regeerakkoord vooreerst in een bevoegdheidsuitbreiding voor het Centraal Aanspreekpunt (CAP) dat vandaag reeds de bankrekeningnummers van alle Belgen verzamelt.  Binnenkort zullen de Belgische banken het CAP naast de rekeningnummers ook jaarlijks het saldo per rekening moeten meedelen.  De fiscus kan deze informatie opvragen wanneer er een vermoeden van fraude is, maar ook – en ook dat is nieuw – in het kader van zogenaamde data mining (te weten: digitaal onderzoek om afwijkend gedrag op te sporen op basis van algoritmen).  Anders gezegd: Belgen die hun vermogen in België aanhouden, maar die geen duidelijke verklaring kunnen voorleggen over de herkomst van hun kapitaal dreigen op deze manier eveneens in het vizier van de fiscus en zelfs het parket te komen.

Conclusie

Belgen met vermogen in eigen land, waarvan de herkomst niet aantoonbaar is, doen er maar beter aan om het voornemen van de regering ernstig te nemen.  Wenst u meer informatie of overleg over dit onderwerp of over fiscale regularisatie?  Contacteer ons dan.

Lees ook het interview met Mr. Stijn De Meulenaer in De Standaard van 16 oktober 2020.

Lees ook:

Fiscale regularisatie 2020

Brief CRS ontvangen? Regulariseren is de boodschap!


Propere handen worden witgewassen

Voetbalclubs en -makelaars vallen vanaf nu onder de preventieve antiwitwaswet.

De operatie propere handen in het Belgisch voetbal bracht aan het licht dat de Belgische competitie helaas soms het decor vormt van fraude.  In de nasleep van dit onderzoek werd door een prompt opgerichte expertencommissie nagedacht over oplossingen. Één van de mogelijke maatregelen was het profvoetbal onder de preventieve antiwitwaswet te brengen. Op 15 juli werd in de kamer een wet goedgekeurd die voetbalploegen uit eerste klasse en voetbalmakelaars onderwerpen aan de antiwitwaswet.

De wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten is een omzetting van de Europese antiwitwasrichtlijn. De entiteiten die aan de wet zijn onderworpen hebben onder meer de plicht om hun cliënten te onderwerpen aan een klantenonderzoek en om vermoedelijke witwasoperaties te melden aan de cel voor financiële informatieverwerking (CFI).

Klantenonderzoek en meldingsplicht

Het zogenoemde know your customer principe houdt in dat voor elke cliënt een individuele risicobeoordeling dient te gebeuren. In voorkomend geval moet ook de uiteindelijke begunstigde worden geïdentificeerd. De risicobeoordeling gebeurt rekening houdend met de kenmerken van de cliënten, producten, diensten of verrichtingen die ze aanbieden, de betrokken landen, en de leveringskanalen waarop een beroep wordt gedaan. De identificatie van de uiteindelijke begunstigde zal moeten gebeuren door het UBO-register te raadplegen. Wanneer de onderworpen entiteiten geen klantenonderzoek kunnen verrichten mogen zij met de cliënt geen zakelijke relatie aangaan. Daarnaast zullen Voetbalploegen en makelaars vanaf nu ook de plicht hebben om vermoedens en feiten van witwassen te melden aan de CFI.

Indien deze verplichtingen niet worden voldaan kunnen de clubs en makelaars een administratieve geldboete van maximaal 1.250.000 euro krijgen. Andere sancties zijn de intrekking of schorsing van een eventuele vergunning of zelfs een beroepsverbod. Bovendien loopt elke club of makelaar die zich medeplichtig maakt aan eventuele witwasmisdrijven uiteraard het risico strafrechtelijk te worden gesanctioneerd.

Deze maatregel wordt gekoppeld aan de oprichting van een clearing house. Deze instantie moet de financiële transacties in het Belgisch voetbal in kaart brengen. De Pro League wil met deze ingrepen bewijzen dat het haar menens is. Transparantie moet het Belgisch voetbal van malafide toestanden af helpen.


I plead guilty. Een blik op de procedure van voorafgaande erkenning van schuld

Niet elk misdrijf dient te leiden tot een lange procedureslag, ook de wetgever was deze mening toegedaan. Samen met de potpourri II-wet werd de procedure van voorafgaande erkenning van schuld geboren: een buitengerechtelijke procedure waarbij de verdachte met het Openbaar ministerie kan onderhandelen over de uiteindelijke strafmaat, weliswaar nadat de verdachte zijn of haar schuld heeft erkend. Het sleutelbegrip inzake is aldus de schuldbekentenis.

De wettelijke voorwaarden

Om aanspraak te maken op deze versnelde afhandeling van het strafdossier, moet er worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Eerst en vooral beperkt de wet de scope van de procedure tot feiten die niet van die aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf. Het gaat hier om de straf in abstracto, niet in concreto, wat wil zeggen dat de straf die in aanmerking wordt genomen deze is die het Openbaar ministerie denkt te moeten vorderen, niet de werkelijke maximale gevangenisstraf. Is dat het geval, dan kan het Openbaar ministerie opteren om een lagere straf voor te stellen dan deze die hij meende te moeten vorderen (ook straffen met uitstel, probatie-uitstel, opschorting en probatie-opschorting blijven uiteraard mogelijk).

De wet voorziet vervolgens in enkele uitsluitingen. Zo is de procedure van voorafgaande erkenning van schuld niet van toepassing bij de volgende feiten:

  • Feiten die strafbaar zouden zijn met een maximum straf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
  • Verkrachting, aanranding van de eerbaarheid met de dood tot het gevolg en foltering door bloedverwant of gezaghebbende persoon ( cf. art. 375 tot 377 Strafwetboek);
  • Bederf van jeugd en prostitutie (cf. art. 379 tot 387 Strafwetboek);
  • Doodslag (cf. art. 393 tot 397 Strafwetboek)

Tot slot de meest vanzelfsprekende voorwaarde: de schuld moet worden erkend. Belangrijk is dat ook een rechtspersoon geacht wordt zijn schuld te kunnen erkennen. Rechtspersonen ten aanzien van wie het parket een straf zou vorderen cf. artikel 41bis S.W. vallen met andere woorden onder het toepassingsgebied van deze procedure.

Het verdere verloop van de procedure

Het initiatief ligt uitsluitend bij het Openbaar ministerie, enkel zij kan beslissen of er toepassing wordt gemaakt van de procedure van voorafgaande erkenning van schuld. Dit weerhoudt de verdachte of zijn advocaat er natuurlijk niet van om zelf de toepassing voor te stellen.

Na de schuldbekentenis – waarbij de verdachte verplicht wordt bijgestaan door een advocaat – zal het Openbaar ministerie een concreet voorstel doen. Het Openbaar ministerie kan, maar moet geen strafvermindering aanreiken. Het voorstel kan onmiddellijk worden aanvaard, doch de wet voorziet dat er ook bedenktijd (max. 10 dagen) kan worden gevraagd. De verdachte kan ook steeds een tegenvoorstel doen.

Werd er een akkoord bereikt, dan wordt dit opgenomen in een overeenkomst. Deze overeenkomst bevat zowel de feiten als de door de verdachte aanvaarde straffen. Werd er geen akkoord bereikt, dan kan het Openbaar ministerie besluiten om de zaak alsnog voor de feitenrechter te brengen.

Na het sluiten van de overeenkomst, wordt de overeenkomst gecontroleerd door de rechtbank. De rechtbank zal o.a. nakijken of er voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, of de overeenkomst overeenstemt met de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie. Ook de proportionaliteit van de voorgestelde straffen zal worden beoordeeld. De rechtbank heeft dus twee mogelijkheden: de afgesloten overeenkomst bekrachtigen of niet. Wijzigingen aanbrengen kan de rechtbank niet. Bij bekrachtiging zal de rechtbank de straf uitspreken die in de afgesloten overeenkomst is voorgesteld. Zoniet wijst ze het verzoek tot bekrachtiging van de afgesloten overeenkomst bij gemotiveerde beslissing af.

Wat met eventuele slachtoffers?

Het slachtoffer is geen partij bij de procedure van voorafgaande erkenning van schuld. De al dan niet voorafgaande vergoeding van schade is dus geen voorwaarde in het kader van deze procedure.

Wel zullen de burgerlijke partijen een kopie ontvangen van de bereikte overeenkomst. Later zullen zij ook worden opgeroepen op de zitting strekkende tot homologatie van de overeenkomst, zodat zij op deze zitting de vergoeding van hun schade kunnen vragen. De schadevergoeding wordt beoordeeld in het kader van de procedure voor de rechtbank.

Bijstand

Bijstand van een advocaat is in een procedure van voorafgaande erkenning van schuld niet alleen onontbeerlijk, doch ook verplicht. Het vereenvoudigd en snel afhandelen van strafzaken is één ding, maar er moet natuurlijk steeds op worden toegezien dat een verdachte niet onder onredelijke dwang afstand doet van zijn recht op toegang tot een rechter.

Heeft u vragen over de procedure van voorafgaande erkenning van schuld, of wenst u te worden bijgestaan, contacteer ons gerust.

 


Wat is witwassen en wat zijn de gevaren?

Witwassen: de silent killer van het ondernemingsstrafrecht

Wat is witwassen?

Stel: je wordt zonder reden aan de deur gezet door je bankinstelling.  Veel kans dat dit een gevolg is van de zogenaamde preventieve witwaswetgeving (wet van 18 september 2017).  Op basis hiervan zijn banken niet alleen verplicht om hun bankklanten te identificeren (Know Your Customer of KYC), maar ook om – telkens wanneer ze weten of vermoeden dat een klant geld bezit of verrichtingen doet die verband houden met witwassen – hiervan melding te doen bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) ook wel de Witwascel genoemd.  Eens de compliance-afdeling van je bank beslist om een einde te stellen aan de bancaire relatie, is het veelal te laat (cf. DS 25 september 2020).

En wanneer, al dan niet na onderzoek door de CFI, het parket een strafdossier opent, is het ook vaak de vervolging voor ‘witwassen’ die het meeste angst inboezemt in fraudedossiers.

Maar wat is witwassen nu precies?

Alhoewel de strafbaarstelling vanuit technisch oogpunt zeer ingewikkeld voorkomt, is het fenomeen op zich niet zo moeilijk uit te leggen.  In feite komt het erop neer dat ‘witwassen’ een zogenaamd “vervolgmisdrijf” is.  Of anders gezegd: er kan slechts sprake zijn van witwassen, wanneer er voorheen een ander misdrijf (diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, corruptie, valsheid in geschriften, …) werd gepleegd waarmee een vermogensvoordeel werd bekomen.  De manipulatie van dit per definitie illegaal verkregen vermogensvoordeel, is dan wat afzonderlijk strafbaar wordt gesteld als ‘witwassen’.

Vanuit technisch oogpunt kent ons Belgisch strafrecht niet 1 maar wel 3 witwasmisdrijven, die omschreven worden in artikel 505, eerste lid, 2° – 4° Strafwetboek.  In feite komt het erop neer dat zowat elke handeling die met een illegaal verkregen vermogensvoordeel wordt gesteld strafbaar wordt gesteld, wanneer deze met het vereiste strafbaar opzet werd gepleegd.  Concreet worden zo strafbaar gesteld: het kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren van illegale vermogensvoordelen (= eerste witwasmisdrijf); het omzetten of overdragen ervan (=tweede witwasmisdrijf) en het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom ervan (=derde witwasmisdrijf).

Opdat voornoemde handelingen strafbaar zouden zijn, dienen ze met een strafbaar opzet te zijn gepleegd.  Concreet wil dit zeggen dat, voor het eerste en derde witwasmisdrijf, dient aangetoond te zijn dat de dader op het ogenblik dat hij de handeling stelde de illegale oorsprong kende of moest kennen.  Voor het tweede witwasmisdrijf dient te worden aangetoond dat de dader de bedoeling had om de illegale herkomst te verbergen of een persoon te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden.

De brede omschrijving en vooral de combinatie van de 3 witwasmisdrijven samen, maakt dat in quasi elk fraudedossier waar nadien handelingen worden gesteld met ‘de buit’, er ruimte is om niet enkel voor het basismisdrijf (bv. oplichting) te vervolgen, maar ook op basis van witwassen.

Het gevaar van het witwasmisdrijf

De laatste jaren zien we steeds meer aandacht voor witwassen bij het parket.  En dat heeft daar goede redenen voor.

Witwassen is een autonoom misdrijf. Dit autonome karakter heeft een aantal belangrijke gevolgen.  Het is ten eerste niet noodzakelijk dat de beklaagde die wordt verdacht van witwassen zichzelf als dader schuldig maakte aan het misdrijf waaruit de illegale geldsommen voortkwamen. Bovendien moet voor het bewijs van het misdrijf van witwassen dit basismisdrijf niet worden bewezen. In de regel moet het basismisdrijf dus niet worden gepreciseerd voor een veroordeling. Hierdoor moeten de beklaagde en zijn advocaat de legale oorsprong van de gelden ‘geloofwaardig maken’.  Slagen zij daar niet in en is de strafrechter daardoor de mening toegedaan dat hij elke legale herkomst kan uitsluiten, dan kan hij veroordelen voor witwassen.  In zekere zin wordt de bewijslast dus omgekeerd, wat het parket in een comfortabele positie plaatst.

Daarnaast is witwassen een zogenaamd voortdurend misdrijf.  Dit betekent dat de verjaring inzake witwassen pas begint te lopen van zodra de van witwassen verdachte handelingen zijn rechtgezet.  Op basis hiervan wordt vaak – terecht – gesteld dat witwasmisdrijven quasi onverjaarbaar zijn: zolang de herkomst van illegale vermogensvoordelen wordt verborgen, duurt het misdrijf voort en begint de verjaring niet eens te lopen.

Tenslotte bepaalt de wet tevens dat inzake witwassen het illegaal verkregen vermogensvoordeel verplicht moet worden verbeurd verklaard.  Dit betekent dat de dader van witwassen, naast een gevangenisstraf of geldboete, tevens riskeert om bovendien het volledige vermogensvoordeel te zien toewijzen aan de Belgische Staat.

Conclusie

De samenloop van dit alles – verregaande preventie met meldingsverplichtingen aan de CFI; doormelding aan parket; quasi onverjaarbaarheid en strenge santioneringsmogelijkheden – maakt van witwassen een steeds populairder misdrijf.  Vooral in het fiscaal strafrecht, waar het illegaal vermogensvoordeel de ontdoken belasting vormt, zijn het de contouren van art. 505 Sw. waarover het meest gepleit wordt, zowel voor de rechtbank als bij het negociëren van een minnelijke schikking of de aangifte van een fiscale regularisatie.

Ons team heeft een ruime ervaring, zowel inzake preventieve witwaswetgeving (meldingsplicht, …) als inzake strafrechtelijke verdediging inzake witwassen.  Daarnaast kunnen wij u tevens assisteren met het vinden van een minnelijke regeling met fiscus en/of parket.  Contacteer ons vrijblijvend.


Scroll Up